Jachtseizoenen 2021, 2022 en 2023: afschotcijfers en conclusies

Publicatiedatum

Tags

Brussel

Auteur

Stijn De Roo

Deel dit artikel

De soorten die in Vlaanderen behoren tot het jachtwild zijn opgesomd in artikel 3 van het Jachtdecreet. Dat artikel verdeelt de wildsoorten in verschillende categorieën: grof wild, klein wild, waterwild en overig wild.

Er mag op die wildsoorten worden gejaagd als de jacht wordt geopend door het Jachtopeningsbesluit. De jacht gaat echter niet voor alle wildsoorten open. Blijft de jacht gesloten, dan spreekt men van niet-bejaagbare wildsoorten. Het Jachtopeningsbesluit regelt per bejaagbare wildsoort in welke periode men mag jagen. Er zijn openingstijden voor de gewone jacht en voor de bijzondere jacht.

Het afschotplan bepaalt hoeveel dieren van welk geslacht of leeftijd er geschoten mogen worden per jaar en per wildbeheerseenheid. In het afschotplan krijgt ieder dier dat geschoten mag worden een uniek nummer. Dat nummer komt overeen met een label.

In mijn schriftelijke vraag nr. 474 van 9 februari 2022 informeerde ik naar de afschotcijfers voor de jachtseizoenen 2019, 2020 en 2021 voor alle bejaagbare wildsoorten per jaar, per soort en per wildbeheerseenheid actief in Vlaanderen en naar de conclusies die kunnen worden getrokken voor de jachtseizoenen 2019, 2020 en 2021.

De minister antwoordde onder andere: “Voor wat de afschotcijfers in Vlaanderen betreft, dient er een verschil gemaakt te worden tussen de gegevens over de grofwildsoorten en de andere wildsoorten. Voor de verschillende grofwildsoorten is er een afschotplan van toepassing in Vlaanderen en worden er labels toegekend op basis van dit afschotplan. Voor elk geschoten dier uit deze groep dient er ook een meldingsformulier van afschot ingevuld te worden. Voor al de andere wildsoorten is dit niet het geval en dient de wildbeheereenheid of onafhankelijke jager jaarlijks aan het hand van een wildrapport het afschot per soort te rapporteren. De antwoorden op beide vragen zullen dan ook opgedeeld worden naar grofwildsoorten en andere wildsoorten.

Afschotcijfers over een korte periode kunnen aangewend worden als benadering voor het bekijken van relatieve verschillen in populatiedensiteit. Deze cijfers geven met andere woorden over het algemeen een goed beeld over de verspreiding en populatiedensiteit van de soorten. Voor het analyseren van trends is een periode van drie jaren echter onvoldoende. Het INBO hanteert dan ook langere termijnen voor trendanalyses. Specifiek voor grofwild wordt er in Vlaanderen gewerkt met een 3-jaren cyclus voor het toekennen, evalueren en bijsturen van het afschot, en worden de resultaten per blok van drie jaren vergeleken met de vorige periodes. Dit neemt niet weg dat de laatste drie jaren bekeken kunnen worden relatief ten opzichte van de vorige jaren.

Voor de andere soorten zijn zoals hoger aangegeven voor de gevraagde periode slechts 2 jaren beschikbaar, namelijk 2019 en 2020. Op basis van deze 2 jaren kunnen er geen zinvolle conclusies getrokken worden over trends.”

Hieronder vindt u mijn vragen en de antwoorden van de minister.

 

1/ Kan de minister de afschotcijfers bezorgen voor de jachtseizoenen 2021, 2022 en 2023 voor alle bejaagbare grofwildsoorten per jaar, per soort en per wildbeheerseenheid actief in Vlaanderen?

De afschotcijfers voor elk van de vier wildsoorten (ree, wild zwijn, damhert en edelhert) vindt u hier voor 2021, 2022 en 2023. (Enkel die WBE’s zijn opgenomen in de lijst waarin minstens 1 van de vier grofwildsoorten minstens in het betreffende jaar in de WBE geschoten werd. WBE’s waarin geen enkele grofwildsoort geschoten werd in een bepaald jaar zijn dus niet mee opgenomen in deze lijsten.)

 

2/ Kan de minister de afschotcijfers bezorgen voor de jachtseizoenen 2021, 2022 en 2023 voor alle bejaagbare andere wildsoorten per jaar, per soort en per wildbeheerseenheid actief in Vlaanderen?

De afschotcijfers voor het kalenderjaar 2023 worden door de wildbeheereenheden (WBE’s) gerapporteerd aan het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) tegen 1 april 2024. De cijfers zijn hierdoor dus nog niet beschikbaar. De afschotcijfers voor de andere 16 soorten waarover gerapporteerd wordt, vindt u hier. De gerapporteerde cijfers omvatten alle dieren die gedood of verwijderd werden uit de natuur. Hoewel voor een aantal soorten de aantallen per geslacht of categorie gevraagd worden, worden de aantallen hier gesommeerd per soort weergegeven.

 

3/ Welke conclusies kunnen worden getrokken uit de cijfers voor de jachtseizoenen 2021, 2022 en 2023 over de verspreiding en populatiedensiteit van de bejaagbare grofwildsoorten?

De informatie over de geografische verspreiding van het afschot en de aantallen per geschoten dieren per provincie, faunabeheerzone of gemeente kan voor elk van de grofwildsoorten per jaar teruggevonden worden op https://faunabeheer.inbo.be. De informatie is up-to-date tot en met het jaar 2023.

Voor everzwijn zien we dat  2021 werd gekenmerkt door een hoger afschot dan in 2020 en 2022, vermoedelijk door een combinatie van een inhaalbeweging t.o.v. 2020 (beperkingen bij de uitvoering van beheer door coronamaatregelen) en een goed mastjaar in 2020. Goede mastjaren worden bij everzwijn bijna automatisch gevolgd door een jaar met een hoger afschot. 2023 werd terug gekenmerkt door een hoger afschot, weliswaar lager dan de piek van 2021. Dergelijke piekjaren gevolgd door mindere jaren zijn typisch voor gebieden waar everzwijn zich reeds een langere tijd heeft gevestigd. Dit in contrast met gebieden waar everzwijn nog in de kolonisatiefase zit en we een toename in het afschot zien dat samenvalt met een uitbreiding van het areaal. We zien vooral in Faunabeheerzone 8 (ten zuiden van Leuven) een toename in het afschot gedurende de laatste drie jaren. Dit is gekoppeld aan nieuwe gemeenten waar het afschot toeneemt (Overijse, Huldenberg, Oud-Heverlee, Heverlee en Leuven). Ook in zuidelijk Limburg zijn er nog gemeenten die gekenmerkt worden door een recente vestiging en toename van het afschot in de periode 2021-2023. Voor de gemeenten in het zuiden van Limburg die gekenmerkt werden door een kolonisatie en toename in het afschot in de vorige periode (2018-2020) zien we nu eerder een afvlakkende trend.

Voor ree is het beeld de laatste drie jaren voor alle provincies vrij stabiel, met uitzondering van West-Vlaanderen waar het afschot en dus vermoedelijk ook de populatie nog verder lijkt toe te nemen (trend gestart sinds 2014 voor die provincie).

Voor damhert is de situatie stabiel, met uitzondering voor Oost-Vlaanderen waar een gecoördineerd actief beheer opgestart werd binnen en rond het Drongengoedbos op basis van het uitgewerkte plan van aanpak.

De cijfers van het jaarlijks aantal geschoten edelherten blijven zodanig laag dat hierover geen zinvolle uitspraken gedaan kunnen worden.

 

4/ Welke conclusies kunnen worden getrokken uit de cijfers voor de jachtseizoenen 2021, 2022 en 2023 over de verspreiding en populatiedensiteit van alle bejaagbare andere wildsoorten?

Aangezien de afschotcijfers voor het kalenderjaar 2023 nog niet beschikbaar zijn, werd per WBE het gemiddelde berekend voor de jaren 2021 en 2022, rekening houdende met de oppervlakte waarover gerapporteerd werd in de respectievelijke jaren. De cijfers werden uitgedrukt per 100 ha gerapporteerde oppervlakte en vervolgens op kaart weergegeven. De kaarten voor de 16 andere soorten vindt u hier.

De kaarten geven zicht op de WBE’s die een afschot rapporteren en waar de zwaartepunten van het afschot zich bevinden. Het afschot geeft vaak een indicatie voor de verspreiding en de populatiedensiteit, maar verschillende andere factoren kunnen de relatie tussen het afschot en de populatiedensiteit beïnvloeden. Zo kan jachtwetgeving die beperkingen oplegt voor de bejaging van de soort een belangrijke impact hebben. Voorbeelden hiervan zijn smient, waarvoor schade aan landbouwteelten dient aangetoond te worden op de bejaagde percelen, alsook patrijs, waarvoor o.a. een minimale drempelwaarde dient bereikt te worden in de voorjaarsstand vooraleer jacht mogelijk is.

Voor conclusies voor veranderingen in verspreiding en populatiedensiteiten dienen de kaarten vergeleken te worden met eerdere afschotcijfers.

 

5/ Welke conclusies kunnen worden getrokken uit het analyseren van de trends voor de afschotcijfers voor bejaagbare grofwildsoorten voor de periode 2021, 2022 en 2023, in vergelijking met de periode 2018, 2019 en 2020?

Zoals hoger aangegeven wordt vooral everzwijn gekenmerkt door een verdere stijging in afschot (en areaal) als we 2021-2023 vergelijken met de periode 2018-2020. In de mate dat het afschot een proxy vormt voor de aanwezige densiteiten wil dit zeggen dat we voor everzwijn nog een verdere toename zien in de areaalgrootte, alsook dat in de nieuw gekoloniseerde gebieden de aantallen nog toenemen. In de gebieden waar everzwijn reeds langer aanwezig is, maakt de beperking in het afschot in 2020 door coronamaatregelen, gevolgd door een hoog afschot in 2021 (ook gedreven door mastjaar), het moeilijk om de twee periodes van drie jaren te vergelijken of om uitspraken te doen over trends.

Voor ree zien we een constant beeld in het afschot voor de periode 2018-2023, met uitzondering van het jaar 2020. Opnieuw heeft dit niets te maken met een terugval in de populatie in 2020, maar met het jachtverbod half maart dat jaar in het kader van de coronamaatregelen. De laatste twee weken van maart vormen klassiek een periode waarin nog een groot deel van het afschot van geiten en kitsen plaatsvindt, wat in 2020 dus niet heeft plaatsgevonden.

Voor damhert zien we, naast de toename vermeld onder vraag 3, in de periode 2021-2023 ook een hoger afschot in de gemeenten Galmaarden, Ninove en Geraardsbergen in vergelijking met de periode 2018-2020. Hierbij bestaat het vermoeden dat de stijging in hoofdzaak het gevolg is van een versterking van de geleverde inspanningen op het terrein in het gebied.

Om na te gaan of de veranderingen in het afschot significant waren doorheen de periode 2018-2023 werd een lineair model opgesteld waarbij de relatie de log-waarden van het totaal aantal geschoten dieren per jaar (log(N) per soort) getest werd. Voor everzwijn bleek er een significant stijgende trend in het afschot te zijn voor de periode 2018-2023; voor ree bleek dit niet het geval te zijn. Voor damhert wel maar gezien de zeer beperkte aantallen en het feit dat het gaat over het effect van twee specifieke regio’s (Galmaarden-Geraardsbergen-Ninove enerzijds en Drongengoedbos en omgeving anderzijds) beschouwen we dit niet als een representatief beeld voor een significante stijging van het afschot in Vlaanderen.

De benadering via een lineair model op basis van het afschot voor heel Vlaanderen vormt een vereenvoudigde statistische benadering die ons toelaat binnen het tijdsbestek van een schriftelijke vraag een analyse uit te voeren. Meer complexe analyses waarbij ook rekening gehouden wordt met mogelijke spatiale en temporele autocorrelatie vallen buiten het bestek van deze schriftelijke vraag, maar maken deel uit van de planning van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) voor de volgende jaren.

 

6/ Welke conclusies kunnen worden getrokken uit het analyseren van de trends voor de afschotcijfers voor alle bejaagbare andere wildsoorten voor de periode 2021, 2022 en 2023, in vergelijking met de periode 2018, 2019 en 2020?

Door het ontbreken van de afschotcijfers voor 2023 zijn er voor het beantwoorden van deze vraag cijfers beschikbaar over de periode 2018-2022. Binnen het tijdsbestek van deze schriftelijke vraag werd geopteerd om geen complexe trendanalyse uit te voeren, waarbij o.a. rekening gehouden kan worden met ruimtelijke en temporele correlaties, ontbrekende cijfers en verschillen tussen provincies bekeken kunnen werden. Deze analyses op een langere tijdsreeks maken wel deel uit van de planning van het INBO voor de volgende jaren.

Voor het beantwoorden van deze vraag worden de cijfers gesommeerd voor heel Vlaanderen. Aangezien de gerapporteerde oppervlakte over de gevraagde periode afneemt, worden de cijfers uitgedrukt per 100 ha gerapporteerde oppervlakte. Deze cijfers grafisch weergegeven per soort vindt u hier.

Voor het interpreteren van een trend op Vlaams niveau wordt er gekeken over de gehele periode.

Canada-gans kent een toename in het afschot over de gevraagde periode. Soorten die een sterke toename in het afschot kennen over de gevraagde periode zijn grauwe gans, kauw en spreeuw. Soorten die een afname in het afschot kennen over de gevraagde periode zijn houtduif, konijn en zwarte kraai. Soorten die een sterke afname in het afschot kennen over de gevraagde periode zijn wilde eend, fazant, gaai (hoewel de afname zich na 2019 lijkt te stabiliseren), verwilderde kat, patrijs en smient (hoewel er na een sterke afname in 2019 terug een lichte toename is). Soorten die een nagenoeg stabiel afschot kennen over de gevraagde periode zijn ekster, haas en vos.

Zoals hoger aangegeven geeft de trend in de afschotcijfers vaak een indicatie van de populatietrend, maar kunnen verschillende andere factoren de relatie tussen het afschot en de populatiedensiteit beïnvloeden. Dit uit zich bijvoorbeeld in het afschot van patrijs. Voor patrijs is het aantal WBE’s die de soort mogen bejagen sterk gedaald in 2021 en 2022 sinds het implementeren van een gestandaardiseerd telprotocol i.h.k.v. de evaluatie van de voorwaarde om een voldoende hoge voorjaarsstand te hebben. Dat vertaalde zich tevens in een sterke daling in het gerapporteerde afschot.

 

referenties

Casaer, J., et al. (2021). Basisrapport voor de wetenschappelijke onderbouwing van beheerkeuzes voor grofwild in het Drongengoed. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Brussel, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,. 35.

 

Nieuws

Uitrol Gentse digitale watermeter in stroomversnelling

Meer dan 15.000 Gentse gezinnen krijgen tegen eind volgend jaar een digitale watermeter. Dat blijkt uit cijfers die Stijn De Roo (CD&V) opvroeg bij de watermaatschappij Farys.