In zijn nieuwe mandaatsnota “Anders Stad Bouwen” voor de periode 2024-2029 pleit stadsbouwmeester Peter Vanden Abeele voor een fundamenteel andere aanpak van de stedelijke ontwikkeling in Gent.
Volgens de stadsbouwmeester zijn de klassieke instrumenten en procedures onvoldoende om de huidige en toekomstige uitdagingen zoals betaalbaar wonen, ruimtedruk en klimaatadaptatie doeltreffend aan te pakken.
De nota zet daarom in op tien strategische werven, waaronder de creatie van meer betaalbare woonvormen via experimenten en ontwerpgestuurde processen. Zo stelt de stadsbouwmeester voor om via zogenaamde ‘bouwmanifestaties’ ontwerpers, bouwheren en beleidsmakers samen te brengen in regelluwe contexten, met als doel nieuwe modellen voor wonen te ontwikkelen.
Daarnaast wordt het instrument van ‘bouwmeesterprojecten’ naar voren geschoven, waarbij bij complexe bouwdossiers de stadsbouwmeester tijdelijk de regie opneemt om knelpunten te ontmijnen en tot gedragen oplossingen te komen.
Gents gemeenteraadslid Stijn De Roo (cd&v) stelde hierover enkele vragen aan de bevoegde schepenen:
- Wat is de reactie van de schepen op de voorstellen van de Gentse Bouwmeester? Met welke werven uit de nota “Anders Stad Bouwen” zal de schepen bevoegd voor stadsontwikkeling verder aan de slag gaan?
- Zal de stad stappen ondernemen om de voorgestelde ‘bouwmanifestatie’ en ‘bouwmeesterprojecten’ daadwerkelijk te realiseren?
- Welke instrumenten of aanpassingen aan bestaande regelgeving plant het stadsbestuur om regelluwe experimenten mogelijk te maken in het kader van innovatieve woonmodellen?
- Ziet de schepen het ontwikkelen van regelluwe experimenten als een investering of een opbrengst voor de stad?
Schepen Vandenbroucke antwoordde:
“De stadsbouwmeester van Gent is een onafhankelijk adviseur van het college en dat is een belangrijke troef. Hij daagt ons uit en inspireert ons op het vlak van architectuur, stadsontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit. In zijn recente nota met tien werven herken ik heel wat van de ambities die wij als stadsbestuur ook in ons bestuursakkoord hebben vastgelegd. Hierbij licht ik twee cruciale punten uit die ook aansluiten bij de vraagstelling rond punten waar we zeker mee aan de slag gaan.
Ten eerste is het duidelijk dat we als stad moeten evalueren naar een eenvoudiger, flexibeler beleidskader. Samen met collega Peeters zet ik in op een plannings- en vergunningenbeleid dat eenvoudiger, sneller en voorspelbaarder is. We willen meer ruimte geven aan innovatie, experiment en kwalitatieve stadsontwikkeling. Dat doen we in dialoog met de Gentenaar, met ontwerpers, ontwikkelaars en alle andere partners. Vertrouwen staat daarbij centraal, net als wederzijds respect.
Ten tweede wil ik net zoals de stadsbouwmeester deze legislatuur voluit inzetten op betaalbaar wonen. Niet als slogan, maar als concrete beleidsprioriteit. De stadsbouwmeester spreekt van een manifestatie, het bestuursakkoord van een woonpact. Het kind moet een naam hebben, maar het doel is duidelijk een gedeelde prioriteit. We zijn daarvoor al uit de startbokken geschoten. Het nieuwe RUP Afrikalaan is daar een duidelijke illustratie van, waarbij wij in Gent pionieren door minstens 40% betaalbare wonen te verankeren in het nieuwe RUP op alle gronden met residentiële ontwikkelingen. Hiermee bewijzen we dat betaalbare wonen een topprioriteit is voor het stadsbestuur.
Wij zitten hier op een uniek moment: als stad zitten we op verschillende sites, zoals de Oude Dokken, samen met private partners aan het stuur. Deze gedeelde verantwoordelijkheid is een kans. We hebben elkaar nodig om die nieuwe stadsdelen waar te maken, maar we moeten die samenwerking dan wel koppelen aan duidelijke afspraken. In ruil voor ontwikkelingsruimte, denk aan een soepeler regelgevend kader, vragen wij als stad een stevige return: betaalbare woningen, ingebed in een gemengde, leefbare wijk. En het is via het woonpact dat we die afspraken structureel willen maken. De eigen gronden van Groep Gent zetten we eveneens maximaal in voor betaalbaar wonen, rekening houdend met de context van de buurt. De absolute minimumnorm is 20% sociaal wonen en 20% budgethuur.
De stappen die ondernomen worden om die manifestatie van betaalbaar wonen te realiseren zijn al lopende. Uit constructieve gesprekken met de sector concludeer ik dat er een steeds breder gedragen besef is dat we samen voor een belangrijke maatschappelijke opdracht staan inzake betaalbaar wonen. Ook zie ik bereidheid om hier concrete wederzijds bindende afspraken over te maken. Daarom durven we ook ambitieus te zijn. We willen tegen het einde van het jaar zicht krijgen over hoe dat woonpact vorm kan krijgen. Een eerste evaluatie is dan voorzien tegen eind 2027 en indien nodig zullen we dan bijsturen en dwingender optreden. De Vlaamse minister van Wonen, Melissa Depraetere, werkt daarvoor aan een stedenbouwkundig instrument dat er dus op heden niet is.
Tenslotte, inzake de bouwmeesterprojecten ben ik ervan overtuigd dat de stadsbouwmeester in bepaalde dossiers die in een te grote discussie zijn verzand (zeker die met grote maatschappelijke relevantie of politieke gevoeligheid) een bemiddelende rol kan opnemen. Die rol als objectieve en onafhankelijke adviseur maakt hem daarvoor uitermate geschikt. In de vorige legislatuur gebeurde dat al ad hoc. Vandaag willen we dat formaliseren en inzetten waar nodig.
In conclusie delen het college, de stadsbouwmeester en mijn diensten dezelfde visie. We willen Gent verder uitbouwen als een stad voor iedereen. Dat betekent inclusief, betaalbaar en duurzaam. Mijn diensten zijn met hem al aan de slag gegaan rond het woonpact en we werken hier samen aan verder. Ik blijf uiteraard graag in dialoog en geef u met plezier verder een stand van zaken waar nodig.”
Schepen Peeters antwoordde:
“Ik ben het eens met collega Vandenbroucke over de rol die de stadsbouwmeester kan spelen. De manier waarop de stadsbouwmeester werkt en de achtergrond die de stadsbouwmeester heeft laat ons toe om iets ruimer te kijken dan de lichte myopie die je ontwikkelt als je telkens met individuele dossiers moet bezig zijn. Dat zijn toch wel zo'n 70 à 80 bouwvergunningen die per week worden verleend.
De stadsbouwmeester laat ons toe om mee te denken over de rol van stedelijke ontwikkeling, stedenbouw, maar ook architectuur in de stad. Ik vind dat de rol van architectuur, zeker in Vlaanderen, veel te veel onderbelicht is en onderbenut is. Architectuur kan een heel belangrijke rol spelen in een stadsontwikkeling, in het maken van een coherent geheel, maar ook van een leefbare stad. Er zijn genoeg voorbeelden van stadsontwikkelingsprojecten en architectuurprojecten uit het verleden die niet geleid hebben tot leefbaarheid maar juist het omgekeerde hebben veroorzaakt. We kennen zelfs hier ook een aantal wijken waar we nu het anders proberen aan te pakken. Ook door voortschrijdend inzicht.
Een van de rollen die de Stadsbouwmeester absoluut mee moet en zal opnemen is de complete herziening van het regelgevend kader. Ik heb dat al eerder geantwoord op vragen. We zullen zalen in het Louvre moeten huren om al de stedenbouwkundige kaders waarover we beschikken aan de muur te kunnen hangen, als het al groot genoeg is. Maar dit geeft een zeer diffuus, zeer divers, af en toe zeer strak beeld waar we ons hopeloos in dreigen vast te rijden. Het is dan ook de bedoeling dat we gaan starten met het volledig herijken van die stedenbouwkundige reglementering. Niet om alles weg te gooien, maar wel om af te stappen van ‘one size fits all’-verhalen, om echt op maat te kunnen werken en ook mee te kunnen voelen hoe een wijk en een stad zich moeten ontwikkelen.
De uitdaging is bijzonder groot: de demografie stevent af op 300.000 inwoners tegen 2040. Dat betekent dat we ongeveer 19.000 wooneenheden moeten bijbouwen. Om dit te doen moet je nadenken over verdichten en hoger bouwen, zodat de resterende open ruimte openblijft. Ook moeten we nadenken over hoe we dan omgaan met gemeenschappelijke of semi-gemeenschappelijke publieke ruimte. Gedeelde open ruimtes zullen belangrijk worden, in plaats van louter private. Als we blijven werken met de typische verkavelingen die we tot in de jaren '90 en 2000 hebben gedaan, of RUP’s en BPA’s zoals die toen ontwikkeld zijn, dan gaan we veel naburige gemeenten moeten annexeren om die 19.000 woningen te kunnen oprichten, wat we niet graag hebben.
Inzake de regelluwe experimenten, moet je eigenlijk om te beginnen al zorgen dat je niet zoveel regels hebt dat je moet snakken naar regelluwheid. Het begint dus met de basisreglementen helder en relatief beperkt te maken. We gaan ook mogelijkheden en middelen moeten voorzien om mee in overleg met de stadsdiensten te gaan. Maar er zullen ook bijvoorbeeld agentschappen zoals Erfgoed betrokken moeten worden vanuit Vlaanderen om te kijken hoe we effectief kunnen experimenteren en om te kijken hoe we met ruimte kunnen omgaan naar de toekomst toe. We gaan moeten kijken hoe we met bestaande gebouwen dingen kunnen doen. Het is altijd gemakkelijker om een nieuwbouw te plaatsen. Maar we gaan ook volgens het principe function follows form moeten werken om hergebruik van bestaande infrastructuur en bestaande gebouwen mogelijk te maken.
Hierbij zal het niet alleen gaan over woonmodellen, maar over totale concepten van leven in een stad. De focus op wonen (en betaalbaar wonen) is belangrijk, maar een stad is meer dan wonen en een stad is ook meer dan stenen alleen. Dus het zal moeten gaan over werken, ontspannen, naar school gaan, en dergelijke meer. Hiervoor zijn dergelijke experimenten nodig om het met veel meer volk op een toch al beperkte ruimte te moeten doen.
Ook moeten we rekening houden met het feit dat we klimaatadaptieve maatregelen gaan moeten treffen, bijvoorbeeld omdat we ruimte gaan moeten maken voor infiltratie, voor waterberging, of voor (blauw)groene structuren die ervoor zorgen dat het hitte-eilandeffect wordt getemperd in een stedelijke omgeving. Dit zal niet evident zijn, aangezien we ruimtelijk gesproken maar de hoeveelheid Gent hebben die er is. Dus we gaan hier en daar out of the box moeten denken, waardoor we natuurlijk komen aan die creatieve en reguliere experimenten.
Om te antwoorden op de vraag of we dit zien als een investering of een opbrengst van de stad, ga ik er sowieso vanuit (vanuit een economisch perspectief) dat een investering iets is dat moet opbrengen, want anders zou je niet gaan investeren. Investeren doe je met de bedoeling om er een rendement uit te krijgen, niet alleen pecuniair, maar ook op andere momenten. Dus ik ga ervan uit, als we daarin investeren (samen met de private sector) dat de opbrengst voor de stad zowel geldelijk zal zijn, als ook door het feit dat we dan beschikken over een leefbare stad, een klimaatadaptieve stad, een woonstad, een werkstad en een leefstad. Dit zal dus op allerlei vlakken moeten opbrengen en renderen.
In conclusie gaan we met veel plezier aan de slag met de mandaatsnota, met de ideeën en visies van de Stadsbouwmeester. Ik benadruk ook dat de stadsbouwmeester een cruciale rol zal spelen wat mij betreft in het herijken en het herbekijken en het toch wel drastisch op de schop nemen van de stedenbouwkundige reglementen.”
Schepen Watteeuw antwoordde:
“De mandaatsnota van de stadsbouwmeester is een interessante nota die kan aanzetten tot de ontwikkeling van nieuwe pistes, maar het is ook maar een eerste stap. Ik denk dat het woonbeleid veel breder is dan de discussie die zich dikwijls beperkt tot enerzijds het engagement van de private ontwikkelaars en het woonpact, en anderzijds de regels, de regulering, de kaders en dergelijke meer. In het beste geval is er dan ook nog wat aandacht voor bijvoorbeeld studentenhuisvesting. Hoewel dit allemaal noodzakelijk is, is woonbeleid is veel breder dan dat. De beleidsnota wonen van de voorbije legislatuur is thematisch zeer breed. Dat gaat ook over de huurmarkt: Over hoe we in die huurmarkt betaalbare huren kunnen ontwikkelen, hoe we kunnen kijken naar hoe we openingen kunnen maken via huursubsidies of via sociaal beheersrecht, en over huurprijsregulering. Ook gaat het over rondposities, over een breder aanbod stellen en over demografische verhuisbewegingen.
Dus er zit een ongelooflijke rijkdom in die veel verder gaat dan alleen maar het element woonpact, of het element regels en kaders. Ik ben bezig momenteel om dat woonbeleid te vertalen naar de nieuwe legislatuur door wat er is opgezet in de voorbije legislatuur door te trekken naar nieuwe varianten, en nieuwe pistes te ontwikkelen. Daarvoor kan ik die mandaatsnota goed gebruiken. Maar nog eens ter herhaling: het gaat veel breder dan dat dikwijls wordt aangegeven. En dus we moeten die breedte absoluut bewaren. Het mag niet alleen beperkt zijn tot één of twee thema's.
Betreffende de twee werven die de stadsbouwmeester aangeeft, ben ik natuurlijk heel sterk begaan met klimaatadaptatie, vanuit mijn bevoegdheid Klimaat. Maar wat ik wel vind is dat wat in de werf wordt geformuleerd eigenlijk een soort denkproces is om te kijken wat we moeten doen voor klimaatadaptatie. Dit is echter al gekend. De tijd van nadenken en studeren zou eigenlijk gedaan moeten zijn. We moeten gewoon gaan realiseren. Het is dus zeer eenvoudig als het gaat over klimaatadaptatie.
Tenslotte zitten er een aantal zaken die niet helemaal kloppen in de laatste werf, om de stad bij te bouwen met een bouwmanifestatie voor betaalbaar wonen. Als het gaat over sociaal wonen, dan zitten we niet meer in niches. Dan zitten we daar met grootschalige realisaties. Dus de opschaling die de stadsbouwmeester bepleit en die ik ondersteun, gaat niet zozeer op voor sociaal wonen, maar gaat vooral op voor een andere vorm van betaalbaar wonen en woonexperimenten. En dus we moeten daar inderdaad proberen een turbo op te zetten en dat stuk te verbreden. We moeten de bouwmanifestatie alle kansen geven, het kan alleen maar versterken. Ik heb ondertussen geleerd in mijn enkele maanden als schepen van wonen en bij het nadenken over het woonbeleid, dat we gaan moeten werken op alle fronten en dat het niet zal volstaan om één iets eruit te pikken. We gaan moeten op heel veel fronten scoren om aan de noden tegemoet te komen.”
Stijn De Roo: “De nota van de stadsbouwmeester mag geen theorie blijven. De stad kan regelluwe experimenten ook opzetten in een moeilijke budgettaire context.”
Je kan de tussenkomst van Stijn hier bekijken.
Foto: Eduard Delputte