‘Beleid gijzelen door de grondwet te misbruiken, dat moet stoppen’, schrijft Stijn De Roo (cd&v). ‘Verworven rechten verdienen bescherming. Maar in de praktijk is dat principe ontspoord.’
Er valt veel te vertellen over het nieuws dat 5.000 langdurig werklozen naar de rechter trekken om de beperking van werkloosheidsuitkering in de tijd aan te vechten. In eerste instantie over de rol die vakbonden hierin spelen. Met modelverzoekschriften stimuleren zij massaal beroep tegen het beleid van de federale regering. De FGTB doet nog straffer, zij heeft in Luik voor bijna al haar leden beroep aangetekend. Het staat in onze rechtsstaat uiteraard iedereen vrij om de grenzen van zijn rechten te toetsen voor een rechter. De grenzen van de redelijkheid, die worden ondertussen moeiteloos overschreden.
Je zou de vraag kunnen stellen waarom sommige vakbonden mensen liever afhankelijk houden van een uitkering dan hen te begeleiden naar een job waaruit zij voldoening halen en zichzelf kunnen ontplooien. Een waardige en zinvolle job is een betere garantie op een goede toekomst dan een uitkering.
Er is echter nog een fundamentelere vraag die we ons moeten stellen. Waarom staan wij als samenleving toe dat democratisch genomen beslissingen, gedragen door een parlementaire meerderheid, te gemakkelijk onderuitgehaald kunnen worden via één artikel uit de Grondwet?
Artikel 23 garandeert het recht op een menswaardig leven en verplicht de overheid om sociale, economische en culturele rechten te waarborgen. Dat artikel is bewust algemeen geformuleerd, het is aan de wetgever om die rechten in te vullen, rekening houdend met het algemeen belang, zoals de budgettaire situatie. Precies daar wringt vandaag het schoentje. Via het zogenaamde standstillbeginsel mogen bestaande beschermingsniveaus niet "aanzienlijk" worden afgebouwd zonder zwaarwichtige reden.
Op zich is dat begrijpelijk: verworven rechten verdienen bescherming. Maar in de praktijk is dat principe ontspoord. Beslissingen worden soms niet langer beoordeeld op hun merites of hun bijdrage aan het algemeen belang, maar op de vraag of ze afwijken van wat voordien bestond. Artikel 23 wordt zo een strategisch wapen in een politiek gevecht. Dat ondermijnt niet alleen het beleid, maar ook het vertrouwen in de instellingen.
Deze hold-up op beleid beperkt zich niet tot sociale dossiers, maar speelt evenzeer in ruimtelijke en milieudossiers, zoals bij de afstandsregels voor pluimveestallen. De Vlaamse regering besliste om de minimale afstand tot woonuitbreidingsgebied te versoepelen van 500 naar 250 meter. Geen drastische deregulering, maar een beperkte aanpassing met afweging van milieuregels en bezwaren door externe partijen. Toch werd die maatregel, tien jaar na invoering (!) ongrondwettig verklaard. Niet omdat hij aantoonbaar schadelijk was voor het leefmilieu, maar omdat het beschermingsniveau volgens de rechter zonder voldoende motivering was verlaagd.
Uit cijfers uit 2022 blijkt dat het Grondwettelijk Hof alleen al op het vlak van een gezond leefmilieu vaker een schending heeft vastgesteld tussen 2019 en 2021 dan in alle jaren voordien. Het standstillbeginsel wordt te pas en te onpas ingeroepen door burgers en verenigingen. Ook de steeds strengere invulling die de rechter geeft aan het standstillbeginsel is zonder meer problematisch. Nieuwe regelgeving wordt mechanisch vergeleken met oude, zonder voldoende aandacht voor de bredere context of het uiteindelijke doel van het beleid. Het resultaat is een systeem waarin elke wijziging al snel als een achteruitgang wordt gezien. Beleidsruimte krimpt, stilstand groeit, burgers haken af.
Artikel 23 was nooit bedoeld om beleid te bevriezen. Integendeel: het erkent dat sociale rechten stapsgewijs gerealiseerd worden. Dat impliceert ook dat ze aangepast kunnen worden. Wat tot gisteren voor sociale vooruitgang heeft gezorgd, doet dat morgen misschien niet meer. Een grondwettelijk kader dat die flexibiliteit niet toelaat, werkt contraproductief. Daarom is een herziening van artikel 23 noodzakelijk. De logica moet veranderen. Niet langer: wijkt deze maatregel af van het verleden? Maar wel: ondermijnt deze maatregel de essentie van het recht op een menswaardig leven?
Ze kan beleid terug in haar geheel beoordeeld worden, in plaats van elke individuele maatregel geïsoleerd te toetsen. Een politieke beslissing die op korte termijn ingrijpt op individuele belangen kan op lange termijn toch bijdragen aan een sterker en rechtvaardiger systeem. Die afweging moet opnieuw centraal staan. Zo'n hervorming herstelt ook het evenwicht tussen rechters en politici. Rechters blijven waken over fundamentele rechten in de samenleving, zonder scheidsrechter te hoeven spelen in politieke discussies. Democratisch genomen beslissingen krijgen zo opnieuw het gewicht dat ze verdienen.
De Grondwet mag geen blokkade zijn voor een beter morgen. Als we willen dat onze sociale welvaartstaat overeind blijft, moeten we durven erkennen dat ook onze grondrechten een update nodig hebben. Laat ons beginnen bij artikel 23.