Vlaams project rond proefdiervrije innovatie behoort tot de Europese top

Publicatiedatum

Auteur

Stijn De Roo

Deel dit artikel

Wetenschappelijke onderzoeken maken soms gebruik van proefdieren. Het gebruik van proefdieren is onderworpen aan wettelijke bepalingen: het kan bijvoorbeeld pas worden toegestaan wanneer er geen gelijkwaardige alternatieve methodes beschikbaar zijn.

In 2017 werd het project RE-Place opgericht, met als doel bestaande expertise over New Approach Methodologies (NAM) in België te centraliseren in één databank. De toepassing van zulke NAMs in onderzoeksprojecten kunnen ervoor zorgen dat er minder of zelfs helemaal geen proefdieren meer nodig zijn. In 2023 werden in Vlaanderen 206.731 dierproeven uitgevoerd, een daling van 9,10% ten opzichte van 2022.

Op 27 augustus 2025 werd bekendgemaakt dat Flanders Research Information Space (FRIS) en het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO) een strategische samenwerking zijn gestart met RE-Place met als doel de databank verder uit te breiden met beschikbare expertise over alternatieve methoden die worden gebruikt in publiek gefinancierd onderzoek in Vlaanderen.

Naast Vlaanderen maakt ook het Brusselse Gewest deel uit van RE-Place. Mogelijk zou de samenwerking in de toekomst worden uitgebreid naar Wallonië.

Vlaams volksvertegenwoordiger Stijn De Roo (cd&v) stelde hierover volgende vragen aan de bevoegde minister:

  1. Hoe beoordeelt de minister-president de impact van het project RE-Place op het bevorderen van alternatieven voor dierproeven in wetenschappelijk onderzoek?
  2. Hoe zal de samenwerking tussen FRIS, het FWO en RE-Place concreet worden ingevuld om proefdiervrije innovatie te versnellen?
  3. Op welke manier wordt er vandaag samengewerkt met Wallonië op het vlak van proefdiervrije innovatie?

Minister Weyts antwoordde:

"Hoewel het aantal beschikbare proefdiervrije methoden toeneemt, kunnen  dierproeven nog niet volledig vervangen worden in alle onderzoeksdomeinen of voor alle regulatorische toepassingen. Zo zijn complexe biologische processen, zoals bv. immuunreacties of het metabolisme van geneesmiddelen, in vitro moeilijk na te bootsen. In dergelijke gevallen blijft het gebruik van levende organismen voorlopig noodzakelijk om wetenschappelijk vooruitgang te boeken. In hedendaags onderzoek vormen NAMs dan ook doorgaans een schakel binnen een bredere methodologische aanpak, waarbij ze de informatie uit het gebruik van proefdieren kunnen aanvullen, verfijnen en, waar mogelijk, bepaalde dierproeven kunnen vervangen.

Wat impact betreft, moet geduid worden dat het meten van het bevorderen van de alternatieve methoden voor dierproeven een uitdaging is omdat voor deze methoden een kader ontbreekt in tegenstelling tot dierproefonderzoek. Zo bestaat er  voor dierproeven een strikt wettelijk kader, waarin zowel de aanvraagprocedure als de registratie van het gebruik verplicht zijn vastgelegd. Dit maakt een systematische opvolging mogelijk via jaarlijkse statistieken en de Europese ALURES-databank1. Voor alternatieve methoden is dit er niet waardoor een dergelijke monitoring niet kan plaatsvinden.  

Daarnaast zien we ook dat alternatieve methoden gebruikt worden in de vroege fase van het onderzoek om in een later stadium efficiënter met dierproeven te werken en het gebruik ervan te beperken.  

Het RE-Place project speelt in dit veld vooral een belangrijke rol in het vergroten van het bewustzijn omtrent het belang van alternatieve methoden. Dit gebeurt door middel van concrete initiatieven zoals het organiseren van informatiesessies bij ethische commissies, het opzetten van evenementen, het verspreiden van nieuwsbrieven en het stimuleren van kennisdeling via sociale mediakanalen. 

Zo heeft het RE-Place de laatste jaren ingezet op: 

  1. Promotie en communicatie met 27 infosessies, 48 presentaties en 27 publicaties, studiedagen en symposia ;
  2. Kennisdeling via de RE-Place databank die 316 alternatieve methoden bevat, ingediend door 204 experten van 34 verschillende organisaties. Dit resultaat overtreft de Europese databank, DB-ALM, die in ruim 20 jaar 180 samenvattingen en 150 protocollen heeft verzameld. Een belangrijke meerwaarde van RE-Place is de transparantie: door het vermelden van de namen van experten en hun organisaties (mits toestemming), vergemakkelijkt de databank directe samenwerking en kennisdeling.  Ook heeft de RE-Place website een solide bereik met ongeveer 10.000 bezoekers per jaar; 
  3. Promotie wordt eveneens gevoerd via sociale media zoals LinkedIn en Youtube waar educatieve webinars, instructievideo’s en infographics gedeeld worden.  

Het RE-Place team speelt eveneens een belangrijke rol als centraal aanspreekpunt voor de wetenschappelijke gemeenschap. Er werden naar schatting 200 tot 250 vragen beantwoord over zowel praktische zaken rondom de databank als diepgaande inhoudelijke onderwerpen zoals wetgeving en financiering, wat de brede expertise van het team aantoont.

De strategische samenwerking tussen FWO, RE-Place en FRIS bouwt voort op het Actieplan voor de vermindering van dierproeven van de Vlaamse overheid uit 2021. In dit plan engageerden verschillende organisaties zich om via 33 concrete acties bij te dragen aan de transitie naar proefdiervrije innovatie. Het gezamenlijke doel van deze samenwerking is om de RE-Place databank continu te verrijken met waardevolle expertise over alternatieve methoden die worden gebruikt of ontwikkeld binnen publiek gefinancierd onderzoek in Vlaanderen. Door deze kennis te centraliseren en breed toegankelijk te maken, wordt ze beter inzetbaar voor de wetenschappelijke gemeenschap — zowel regionaal als internationaal. 

Concrete invulling van de samenwerking: 

  1. Jaarlijkse bevraging van FRIS- en FWO-databases: het identificeren van (nieuw ontwikkelde) alternatieve methoden via het opsporen van onderzoeksprojecten in de FWO-databank voor FWO-gefinancierde projecten en in de FRIS-databank voor projecten die in Vlaanderen met andere publieke middelen worden gefinancierd;  
  2. Bewustmakingscampagnes: FWO en RE-Place versturen gerichte mailings naar onderzoekers met de oproep om hun expertise te registreren in de RE-Place databank; 
  3. Erkenning: Bijdragen aan RE-Place worden erkend als onderdeel van de permanente vorming in proefdierkunde. Dit biedt onderzoekers een bijkomende motivatie om hun methoden te delen en draagt bij aan hun professionele ontwikkeling en vorming. 

De samenwerking werd vooraf getest met een korte en succesvolle pilootstudie waarna officieel gestart werd met de nieuwe samenwerking in juni 2025. Onderzoekers zullen op twee momenten in de looptijd van hun project gecontacteerd worden: 

  1. Bij de start van het project: om het bewustzijn rond alternatieve methoden te verhogen en 
  2. aan het einde van hun project: om onderzoekers aan te moedigen de (nieuw) ontwikkelde en/of gevalideerde methoden in te dienen bij de RE-Place databank. 

De rechtstreekse betrokkenheid van het FWO zal vermoedelijk leiden tot een meer coöperatieve houding van onderzoekers. Dit zal bijdragen aan: 

  1. een snellere groei van de RE-Place databank, 
  2. een vollediger overzicht van bestaande alternatieve methoden binnen organisaties, 
  3. het versnellen van kennisdeling en samenwerking tussen onderzoekers. 

Aangezien RE-Place een gezamenlijk initiatief is van de Vlaamse en Brusselse gewesten, is het de ambitie om deze samenwerking in de toekomst verder uit te breiden naar andere financieringsorganisaties in Brussel, en op termijn hopelijk ook naar Wallonië.  

Uiteindelijk zal dit project de invoering en acceptatie van alternatieve methoden bevorderen, zowel in biomedisch onderzoek als bij opmaak van regelgevende teksten, in België en daarbuiten. 

Het gebruik van alternatieve methoden en dus ook het RE-Place project valt onder de bevoegdheid Dierenwelzijn. In België is dit een regionale verantwoordelijkheid, wat betekent dat elke regio (Vlaanderen, Brussel, Wallonië) afzonderlijk verantwoordelijk is voor de implementatie van de wetgeving (EU/Dir/2010/63/EU). 

In 2016 lanceerde de Vlaamse overheid een oproep om een platform op te zetten rond alternatieve methoden voor dierproeven. Het project werd in 2017 toegekend aan Sciensano en de Vrije Universiteit Brussel. Sinds 2018 is ook het Brussels Hoofdstedelijk Gewest officieel partner van het RE-Place project.  

Om RE-Place uit te bouwen tot een nationaal platform nam het RE-Place team vanaf 2019 actief contact met de Service Publique de Wallonie (SPW) en de betrokken kabinetten. Voor deze samenwerking werd een officieel akkoord ontvangen van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ook het bevoegde Waalse kabinet toonde aanvankelijk interesse waarna het RE-Place team een officiële aanvraag voor financiering indiende bij Wallonië. De SPW besloot uiteindelijk niet deel te nemen aan RE-Place. 

Het RE-Place team staat wel in contact met het Waals Contactpunt voor de implementatie van de EU Directive 2010/63/EU in het kader van de Europese PARERE activiteiten.  

De goede samenwerking met Sciensano en de Vrije Universiteit Brussel fungeert als brugfunctie richting Franstalig België om de nationale dekking van proefdiervrije methoden verder te versterken. De strategische samenwerking tussen RE-Place, FWO en FRIS kan daarbij als blauwdruk dienen voor toekomstige samenwerking met FNRS. 

Internationaal heeft het RE-Place team, dankzij gerichte initiatieven zoals vrij toegankelijke evenementen en actieve deelname aan (inter-)nationale congressen, met succes de betrokkenheid van Belgische experten vergroot, ook in Wallonië. Door experten rechtstreeks aan te spreken, is er een dynamische samenwerking ontstaan die de databank heeft verrijkt. Deze inspanningen illustreren de effectiviteit van een proactieve strategie om expertise te verzamelen en benadrukken het potentieel voor verdere groei en uitbreiding van de databank in de toekomst. Door deze aanpak behoort het RE-Place project op Europees niveau tot de besten van de klas. Iets waar we vanuit Vlaanderen best trots mogen op zijn."

Nieuws

Overzicht van Gentse reuzenpopulatie in opmaak

De Vlaamse Reuzencultuur is immaterieel erfgoed. In Oost-Vlaanderen alleen al bestaan er 550 reuzen, waarvan een 60-tal zich in Gent en de deelgemeenten situeren.

Conservatie van Doelse koggen loopt nog tot 2032

De Doelse koggen zijn twee middeleeuwse schepen die in 2000 en 2002 werden aangetroffen bij het uitgraven van het Deurganckdok in Doel.

Hoe ver staat Gent met de "Stedelijke Versimpelaar"?

In het bestuursakkoord werd opgenomen dat er maandelijks een ander reglement "in het vizier" zou worden genomen door het aanduiden van een "Stedelijke Versimpelaar" die regels in vraag stelt en waar mogelijk elimineert.