In 2025 diende een Belgisch consortium waar Vlaanderen deel van uitmaakt twee kandidaturen in voor EuroHPC JU, de Europese gemeenschappelijke onderneming voor high-performance computing (European High Performance Computing Joint Undertaking).
EuroHPC JU heeft tot doel om een pan-Europese supercomputerinfrastructuur uit te bouwen en zo het concurrentievermogen van de industrie te vergroten, de technologische autonomie van Europa te waarborgen en de wetenschap te bevorderen. De eerste kandidatuur had betrekking op het realiseren van een AI-fabriek op Belgisch grondgebied. Zo'n AI-fabriek brengt rekenkracht, data en talent bij elkaar om geavanceerde AI-modellen en -toepassingen te creëren. Dit voorstel werd ongunstig beoordeeld.
De tweede kandidatuur betrof de realisatie van een zogenaamde 'antenne' voor AI-fabrieken. Zo'n antenne is een toegangspunt verbonden met één of meerdere AI-fabrieken in andere Europese landen, en stelt op kleinere schaal rekenkracht ter beschikking. Op die manier kunnen Belgische start-ups, industriële spelers, overheidsdiensten en de academische gemeenschap een veilige toegang op afstand krijgen tot AI-geoptimaliseerde supercomputingbronnen. Het Belgische voorstel voor een antenne gekoppeld aan de Finse en Duitse AI-fabrieken werd geselecteerd voor Europese cofinanciering. Op een totaalbudget van 34,5 miljoen euro draagt Vlaanderen 21,1 miljoen euro bij.
Vlaams volksvertegenwoordiger Stijn De Roo (cd&v) stelde hierover volgende vragen aan de minister-president:
- Wat waren de inhoudelijke tekortkomingen van de Belgische kandidatuur voor het realiseren van een AI-fabriek, en welke lessen neemt de minister-president daaruit mee?
- Welke impact heeft het realiseren van een AI-antenne in plaats van een volwaardige AI-fabriek op de mogelijkheden voor Vlaamse start-ups, industriebedrijven, overheidsdiensten en de academische gemeenschap om gebruik te maken van supercomputers voor hun innovatieve AI-toepassingen?
- Hoe loopt de verhouding inzake de rekenkracht van de AI-antenne en de toegang daartoe tussen de verschillende partners in het consortium enerzijds en tussen Vlaanderen, de andere gewesten en het federale niveau anderzijds?
Minister-president Diependaele antwoordde:
"Ik vrees dat dit te maken heeft met verschillende factoren, waaronder ook de complexiteit van onze Belgische staatsstructuur. Er dienden zeer veel partijen betrokken te worden, wat op zich het voorstel alleen maar sterker zou kunnen maken, maar in deze voor de omgekeerde situatie heeft gezorgd. Daardoor evalueerde EuroHPC het Belgisch AI-Factory voorstel als te vaag en onvoldoende uitgewerkt. Het computersysteem (een gedistribueerd systeem met een site in beide landsdelen) was te beperkt. Het was niet duidelijk of het versnipperde consortium over de nodige expertise beschikte. Sommige onderdelen leken dan weer overgedimensioneerd of te weinig onderbouwd. In het algemeen werd het budget niet adequaat bestempeld.
In het algemeen is mijn conclusie dat het voor dergelijke initiatieven nodig is dat we voldoende vroeg genoeg inspelen op de opportuniteiten, maar ook dat we van bij de start van het traject de scope op een meer formele wijze vastleggen. Hoe dan ook, het betreft een complexe uitdaging. Het is normaal dat wanneer je ambitieus bent en hoog mikt, je af en toe ook iets niet kan binnenhalen.
[Het realiseren van een AI-antenne in plaats van een AI-fabriek] zou in de praktijk nauwelijks een verschil mogen maken. De Belgische antenne is verbonden met twee supercomputers, namelijk deze in Finland en in Noordrijn-Westfalen. Een AI-antenne biedt eigenlijk net dezelfde diensten aan, maar doet voor de rekenkracht beroep op een AI-supercomputer die elders gelokaliseerd is. Net omdat de Belgische antenne met twee supercomputers verbonden is, kan het Vlaamse AI-ecosysteem schakelen tussen de twee, naargelang de noden (bv. type chips) en de beschikbaarheid van computertijd. Ik durf zelfs te stellen dat dit op termijn voordeliger kan uitdraaien aangezien uitwisselingen zullen plaatsvinden tussen het Vlaams/Belgische AI-ecosysteem en twee buitenlandse, sterke AI-ecosystemen. Daarenboven hoeven we geen voorzieningen te treffen voor bijkomende zaken zoals energievoorziening, beveiliging, onderhoud, afschrijving enz. van de fysieke hardware van de rekencapaciteit. Zeg maar “AI-superrekenkracht as a service”. De energie in Finland is goedkoper waardoor er meer rekentijd voor diezelfde prijs kan beschikbaar gesteld worden. We zullen overigens volwaardig lid worden van het LUMI-consortium. De Vlaamse gebruikers zullen daardoor breder bediend worden, zij gaan immers een ruimere keuze hebben gezien beide AI Factories wellicht (op vandaag nog geen zekerheid) op andere chips zullen werken. Kortom, elk nadeel heeft zijn voordeel.
De consortiumpartners verdelen niet de rekenkracht onder elkaar, maar staan in voor allerlei diensten, zoals toeleiding, begeleiding, opleiding, enz. die met AI-superrekenkracht te maken hebben. De verdeelsleutel, de wijze van toekenning van de beschikbare rekentijd aan aanvragers en al wat daar rond hangt zal voorbereid worden door het antenneconsortium. De huidige werkwijze die de toegang regelt tot de Finse “algemene” supercomputer zal als basis dienen. Het eerste criterium daarbij is de relatieve verhouding van de investering in computertijd door elke entiteit. Ook andere factoren spelen mee, o.a. om geen rekentijd verloren te laten gaan. Dit ganse proces is dus nog in voorbereiding, en zal uiteindelijk politiek bekrachtigd worden."