Het Vlaamse regeerakkoord 2024-2029 verwijst naar de noodzaak van rechtszekerheid en technische uitvoerbaarheid in toekomstige normering.
“Vlaanderen gaat voor rechtszekere, technisch haalbare en op aanvaardbare risico’s gebaseerde normen voor zeer zorgwekkende stoffen in bodem, water en lucht die bedrijven, projecten en bouwwerken doorgang laten vinden zonder het milieu en de volksgezondheid in het gedrang te brengen. Hierbij worden ook de kosten-baten in afweging genomen.”
Verschillende bedrijven worden door de PFAS-problematiek geconfronteerd met aanzienlijke technische en economische uitdagingen. Het Vlaamse actieplan PFAS bevat maatregelen voor bodemsanering, monitoring van milieu en gezondheid, emissiereductie, vergunningverlening en communicatie naar burgers en bedrijven. De praktische implicaties van de nieuwe PFAS-normeringen zijn vandaag vaak nog onvoldoende duidelijk, terwijl investeringen zwaar doorwegen en beschikbare technologieën niet altijd marktrijp zijn.
De REACH-restricties en Europese grenswaarden zijn nog volop in onderhandeling, waardoor bijkomende nationale verplichtingen een risico op goldplating kunnen vormen en de competitiviteit van de bedrijven kunnen ondergraven (REACH: Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemicals).
Vlaams volksvertegenwoordiger Stijn De Roo (cd&v) stelde hierover enkele vragen aan de bevoegde minister, Jo Brouns.
- Hoe zal Vlaanderen bij de Europese onderhandelingen garanderen dat toekomstige PFAS-regelgeving haalbaar, proportioneel en technisch uitvoerbaar blijft voor de ondernemingen, en dat Vlaanderen niet sneller of strenger reguleert dan Europa bepaalt?
Minister Brouns: "Voor het eerste deel van de vraag kan verwezen worden naar de garanties ingebouwd in de REACH-procedure ten aanzien van de uPFAS-restrictie (universal PFAS restriction dossier, gepubliceerd door het ECHA op 7 februari 2023), en meer bepaald de activiteiten van het Comité voor Socio-Economische Analyse (SEAC), bijvoorbeeld de aankomende draft opinion van SEAC en de publieksraadpleging die normaal vanaf eind maart van start zou moeten gaan en gedurende 60 dagen zal lopen. De Belgische/Vlaamse input is al in voorbereiding incl. een uitgebreid stakeholderoverleg – zie daartoe de Open Sessie van het Belgisch Comité Reach op 23/04/2026.
Het Vlaamse Gewest schakelt zich in dat Europese proces in, en hoopt op een uitkomst die de toenemende impact van de PFAS-vervuiling een halt kan toeroepen, m.n. ook de enorme kosten voor sanering en zuivering.
Gezien de grote impact van de PFAS-vervuiling in Vlaanderen, is de Vlaamse overheid steeds vragende partij geweest voor een uitgebreide REACH-restrictie inzake de stoffengroep PFAS, en blijft zij dit ook. Ook op het EU-niveau zijn nl. snelle bijkomende stappen wenselijk om bijkomende vervuiling tegen te gaan. Het PFAS-restrictiedossier betreft niet de eerste of enige restrictie ten aanzien van PFAS, maar ze is belangrijk om ‘regrettable substitution’ zo veel mogelijk verder uit te sluiten (cf. het vaak bestaan van milieuvriendelijker alternatieven).
Het tweede deel van uw vraag kan niet eenduidig beantwoord worden, gezien niet voor alle milieuaspecten, waar in Vlaanderen al regelgeving voor bestaat, ook Europese regelgeving bestaat; en gezien de brede scope van deze vraagstelling. Voor informatie per milieucompartiment, verwijs ik naar het antwoord op de volgende vraag."
- Hoe krijgt een integrale maatschappelijke afweging vorm bij de beoordeling van de huidige en toekomstige PFAS-normen?
Minister Brouns: "In het Beleidsplan Zorgwekkende Stoffen, dat in opmaak is en in 2026 gefinaliseerd wordt, is de doelstelling opgenomen om structureel kosten-batenanalyses uit te voeren bij het beoordelen van huidige en toekomstige PFAS-normen. Een van de leidende principes is het hanteren van een risicogebaseerde aanpak. Er is een onderzoek gepland over hoe maatschappelijke kosten en baten best afgewogen worden. Dit geldt voor normering in alle milieucompartimenten.
Wat bodem (bodemsaneringsnormen, richtwaarden en waarden voor het gebruik van bodemmaterialen) betreft, hechtte de Vlaamse Regering op 19 december – na advies van de Raad van State – haar definitieve goedkeuring aan het ontwerpdecreet dat het Bodemdecreet wijzigt om op rechtszekere wijze rekening te kunnen houden met de nieuwste wetenschappelijke inzichten om een adequate en doeltreffende bescherming van de bodem te waarborgen. Dit decreet werd intussen goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Het omvat bepalingen voor de vaststelling van richtwaarden voor bodemkwaliteit en waarden voor het gebruik van bodemmaterialen.
De Vlaamse Regering kan richtwaarden voor bodemkwaliteit vaststellen. Deze richtwaarden stemmen overeen met het gehalte aan verontreinigende stoffen of organismen op of in de bodem dat toelaat dat de bodem al zijn functies kan vervullen zonder dat enige beperking moet worden opgelegd. Als het omwille van wetenschappelijk-technische vaststellingen of socio-economische overwegingen niet haalbaar is om dit kwaliteitsniveau volledig te waarborgen, kan de Vlaamse Regering richtwaarden bepalen die het voormelde kwaliteitsniveau zoveel als redelijkerwijze mogelijk benaderen, rekening houdend met voormelde vaststellingen en overwegingen.
Voor bepaalde verontreinigende stoffen, zoals PFOS, blijkt immers dat de concentratie waarbij de bodem al zijn functies kan vervullen, lager dan of gelijk is aan de antropogene achtergrondwaarden. Antropogene achtergrondwaarden zijn concentraties van stoffen die veroorzaakt zijn door niet-natuurlijke processen en aanwezig zijn in de bodem op onverdachte locaties in Vlaanderen. Deze antropogene achtergrondwaarden zijn concentraties van bepaalde stoffen in de bodem die het gevolg zijn van wijdverspreide, diffuse menselijke activiteiten en niet van een specifieke, lokale verontreinigingsbron.
Indien dit niet mogelijk zou zijn, en er dus geen rekening zou kunnen worden gehouden met wetenschappelijk-technische vaststellingen of socio-economische overwegingen, tonen berekeningen – die werden uitgevoerd voor PFOS – aan dat dit tot zeer hoge economische kosten en zeer hoge milieukosten zoals substantiële toename van het vrachtverkeer, van CO2-emissies, volledige in gebruik name van alle beschikbare stortcapaciteit op een relatief korte termijn (4 jaar), verlies van aanzienlijke volumes levendige bodems, enz. zou leiden. Voor het uitvoeren van deze berekeningen werd gebruik gemaakt van de gegevens en bevindingen uit een verkennende analyse van de maatschappelijke kosten en baten (MKBA) voor PFAS in bodem en grondwater in Vlaanderen.
Voor lucht zijn nog geen normen bepaald. Op dit moment gebeurt er maatwerk per bedrijf waar PFAS-uitstoot wordt gedetecteerd, volgens de algemene principes van de milieuwetgeving: het bedrijf moet aantonen dat er geen onaanvaardbare impact is op de omgeving. Dit is een verderzetting van het huidige milieubeleid, zoals dat ook voorzien is in de MER-procedures.
Voor water verwijs ik naar het ontwerpvoorstel van de Europese Commissie voor de aanpassing van de richtlijn Prioritaire Stoffen. Hierin worden 25 PFAS-stoffen als groep opgenomen als Prioritair Gevaarlijke Stoffen met bijhorende Milieukwaliteitsnormen (MKN). Deze nieuwe MKN worden uitgedrukt in PFOA-equivalenten. Daarbij wordt de druk van PFAS gezamenlijk bekeken en krijgen de verschillende PFAS een gewicht waarbij – afhankelijk van de norm – rekening wordt gehouden met de mate waarin een PFAS bioaccumuleert en toxisch is ten opzichte van de referentie, PFOA. Daarbij wordt rekening gehouden met de verscherpte EFSA-inzichten in verband met de toxiciteit van de PFAS. Het is nu reeds duidelijk dat de nieuwe, strenge MKN voor PFAS niet zullen gehaald worden.
De uitstoot vanuit industriële processen wordt aangepakt via het vergunningenbeleid. Daarbij geldt een verbeterverplichting overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water.
Bij het afleiden van de milieukwaliteitsnormen wordt er geen maatschappelijke afweging gemaakt, maar gezien de nieuwe normen overal overschreden zullen zijn en niet direct kunnen gehaald worden, is er via het vergunningenbeleid wel een maatschappelijke afweging.
- Hoe waarborgt de minister dat normen wetenschappelijk onderbouwd, technisch uitvoerbaar en afgestemd zijn op Europese faseringen, zonder aan goldplating te doen?
Minister Brouns:
- "Normen en toetsingswaarden worden steeds wetenschappelijk onderbouwd, gebaseerd op humaan- en ecotoxicologische inzichten. Hiervoor wordt onder andere het S-riskmodel gebruikt. Wetenschappelijk en op wetenschap gebaseerd werken is een van de basisprincipes van normering.
- De Vlaamse en Europese regelgeving bepaalt dat milieuvoorwaarden inclusief emissiegrenswaarden gebaseerd worden op de beste beschikbare technieken. Vlaamse BBT-studies en Europese BBT-conclusies leveren hierbij de nodige informatie om emissiegrenswaarden op te nemen in VLAREM en in omgevingsvergunningen. Voor PFAS en andere ZS wordt specifiek Vlaamse BBT-onderzoek voorzien en wordt getracht deze emissies op te nemen in de Europese BREF’s.
- We trachten onze bekommernissen zoveel mogelijk aan bod te laten komen in de EU-besluitvorming, zodat de implementatie van hetgeen op dat niveau werd afgesproken zou moeten volstaan om de beoogde doelstellingen te realiseren. Voor het realiseren van bepaalde milieudoelstellingen/natuurwaarden, of in het kader van bestaande Vlaamse regelgeving, kan er echter ook nood zijn aan (lokaal) strengere maatregelen, bijvoorbeeld om overschrijding van normen tegen te gaan."